Danitsja’s korte SF-verhaal ‘Ik kom terug’ werd in 2025 gepubliceerd in de verhalenbundel ‘De belofte’.
Ook verscheen het in het online SF-magazine Out Of This World.
Hoe ver ga jij om je aan een belofte te houden?
Ik kom terug
2525 na Xeos / 2025 na Christus
‘Ik beloof dat ik zo snel mogelijk terugkom,’ fluisterde ik op die prachtige Aardse lentedag onder een bloeiende perenboom in Edwards oor.
‘Ik zal op je wachten,’ fluisterde hij terug.
‘Wacht niet op mij,’ zei ik met pijn in mijn hart. ‘Jouw leven is veel te kort. Tegen de tijd dat ik terugkeer, ben jij al een oude man.’
‘Doet er niet toe,’ zei hij. ‘Ik zal nog steeds van je houden.’ Hij trok een pruillipje. ‘Tenzij je niet meer van me houdt als ik oud ben en rimpels heb.’
‘Natuurlijk wel, gekkie. Maar ik wil dat je niet op mij wacht. Trouw iemand, zorg voor kinderen en maak een wereldreis. Aarde is zo mooi. Verspil je leven niet aan mij, voor wie jij slechts een eendagsvlieg bent.’
‘Een trouwe eendagsvlieg,’ grinnikte hij.
Edward was grappig, lief en schattig. En knap voor een halfaap. Zijn soort had niet de enorme oren en vooruitstekende frons, en zeker niet het overtollige lichaamshaar. De vacht op zijn hoofd was zacht als die van mij en zijn ogen betoverend blauw, een kleur die bij mijn soort niet voorkomt.
Misschien dat ik daarom zwichtte en hem beloofde snel terug te keren. Geen lichtzinnige belofte, gezien Aarde 500.000.000.000 cosmocrypten bij ons vandaan ligt en wij haar eerste onderzoekers waren. Het is een aardige planeet met veel grondstoffen en boeiende, zo niet betoverende levensvormen, maar het ligt in een uithoek, wat het niet erg geschikt maakt voor exploitatie.
Ik deed het voor hem, om zijn leven en onze liefde zin te geven, zoals hij dat zo mooi zei. Omdat hij dat graag wilde en hij een behoorlijk koppige, eigenwijze en charmante halfaap was.
2531 na Xeos / 2085 na Christus
We naderen de Aarde. Vanuit de ruimte herinnert de blauwe planeet me aan de kleur van Edwards ogen, aan de smaak van zijn lippen. Niet voor het eerst twijfel ik of terugkeren wel zo’n goed idee is. Ergens hoop ik dat Edward gelukkig is geworden met een soortgenoot en mij is vergeten. Het geheugen van halfapen is immers vrij kort, hoewel ik geloof dat hij het echt meende toen hij beloofde elke volle maan onder de perenboom op me te wachten. Wat zal hij blij zijn om me eindelijk weer te zien!
Terwijl ons ruimteschip achter de maan parkeert, vervolg ik mijn reis met een helidrone. Onder me is Nederland een diamant met miljoenen lichtjes die me moeiteloos de weg wijzen naar zijn dorp, een tankstation naast de snelweg met een paar eenzame huisjes omringd door akkers en weilanden.
Nu wordt het dorp omsingeld door duizenden lichtjes van hoge flats. Even ben ik bang dat ik te laat ben, dat meer tijd is verstreken dan ik dacht, maar dan herken ik de Molenvaart, een glinsterend lint in het maanlicht dat tussen de flats doorloopt naar de weilanden erachter. Langs de vaart staan nog altijd de schattige witte huisjes waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan.
Ik land in het weiland achter het Klompenmuseum – dat nu een aanbouw heeft en een terras boven het water – en volg het maanverlichte betonnen pad de weilanden in.
Al van verre herken ik de eenzame perenboom. Zijn kale takken reiken als een bizar gevormd skelet naar de sterren, ontdaan van alle groene Aardse magie. Een donker silhouet leunt tegen de oude boomstam. Edward? Ik begin te rennen.
‘Daar ben je dan eindelijk,’ roept hij. ‘Ik heb op je gewacht.’ Hij rent op me af en zwiert me in zijn armen rond. ‘Je bent geen spat veranderd,’ fluistert hij in mijn oor.
Hij wel. Zijn mooie zwarte haren zijn grijs en zijn huid is gegroefd als slecht verzorgd leer. Zijn neus en oren lijken groter, zijn buik is dat zeker. Maar de blauwe ogen zijn dezelfde.
‘Ik heb hier elke volle maan op je gewacht,’ zegt hij. ‘Ik hoopte dat je me niet was vergeten, maar ik snap het als je je niet aangetrokken voelt tot oude mannen.’
‘Mijn soort geeft meer om innerlijk dan uiterlijk, anders was ik toch nooit voor je gevallen?’ grap ik.
Hij schenkt me een glimlach die hem iets jongensachtigs geeft, iets magisch. ‘Mag ik je zoenen?’
Ik knik. Zodra hij me kust, lijk ik terug in de tijd geslingerd. Als ik mijn ogen sluit, weet ik zeker dat hij vanbinnen hetzelfde wezen is als toen.
‘Hoelang blijf je?’ vraagt hij.
In zijn ogen lees ik verlangen. Hij is als een open boek, wat zo schattig is dat ik bijna vergeet dat Aardse halfapen hun eigen soortgenoten vermoorden, zelfs jonkies. Maar Edward is anders, dat weet ik zeker.
‘Ik blijf heel lang,’ antwoord ik naar waarheid.
Hij wurgt me bijna in zijn omhelzing. ‘Echt? Wat fijn!’
Weer zoent hij me, wat maakt dat ik me speciaal voel, betoverd, ook al is het primitief hormoongestuurd gedrag.
‘Koffie?’ Hij wijst naar een bankje onder de perenboom dat er vroeger niet stond. Ernaast staat een rugtas waar hij een metalen thermoskan uit haalt.
Ik ga zitten en pak aarzelend een vieze mok aan met de tekst: ‘Beste opa ooit.’ Mijn hoofd vult zich met vragen waarop ik de antwoorden waarschijnlijk niet wil weten. Ik stel ze niet en geniet van de koffie, die nergens zo lekker is als op Aarde.
‘Dus je gaat verder met je onderzoek naar Aardse levensvormen?’ vraagt hij.
Het verbaast me dat hij dat al die jaren heeft onthouden. ‘Nee, dat is afgerond.’
‘Waarvoor zijn jullie dan teruggekomen?’
Ik had natuurlijk kunnen weten dat zijn nieuwsgierige aard meer uitleg verwachtte. Ik haal mijn schouders op. ‘Geheime missie.’ Dat is de waarheid, toch voelt het verzwijgen ervan als een leugen.
Hij lacht. ‘Betekent dat dat jullie zijn teruggekomen om de mensheid te redden?’
Ik herinner me onze gesprekken over zijn aftakelende thuisplaneet. Misschien heb ik eens zoiets geopperd toen ons onderzoek nog niet was afgerond. ‘Daar mag ik niets over zeggen.’
‘Maar wel tegen mij.’ Hij houdt zijn hoofd een beetje scheef en trekt een pruillipje. ‘Ik heb niet stilgezeten. Ik heb contacten met milieuorganisaties over de hele wereld. Met jullie hulp …’ Hij staart naar de sterren en lacht. Onverwacht zoent hij me weer op mijn mond. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent.’
Ik knik. Daar ging het toch om? Hem blij maken, zijn leven en onze liefde zin geven?
Hij kijkt me aan. ‘Is er iets?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Ik zie heus wel dat je ergens mee zit. Je kunt mij alles vertellen.’
Dat laatste is een leugen, want ik kan het hem niet vertellen.
‘Heeft het te maken met je terugkeer naar Aarde? Hoe heb je dat eigenlijk voor elkaar gekregen? Je zei dat het heel moeilijk kon worden?’
Het zijn te veel vragen. Ik voel een allesoverheersende drang om te liegen, omdat dat duizendmaal gemakkelijker en minder wreed lijkt dan de waarheid vertellen.
Zacht knijpt hij in mijn hand. ‘Sorry als ik te nieuwsgierig ben. We hebben het er later wel over, we hebben alle tijd.’
Ook dat is een leugen. Ik haal diep adem. ‘We hebben maar één nacht.’ Het voelt goed om eerlijk te zijn.
Een frons bobbelt zijn voorhoofd. ‘Een nacht? Maar ik dacht dat je beloofde langer …?’ Hij kijkt zo chagrijnig als die keer dat ik zijn telefoon liet ontploffen.
‘Dat heb ik nooit beloofd,’ verbeter ik hem. ‘Alleen dat ik alles zou doen om zo snel mogelijk naar je terug te keren. Dat heb ik gedaan.’
De frons verdwijnt niet van zijn voorhoofd. ‘Ik weet dat jouw soort beloftes heel serieus neemt. Dat is de enige reden waarom ik zestig jaar in weer en wind op je heb gewacht. Als ik had geweten dat het voor slechts één nacht was …’ Hij schudt zijn hoofd en bromt iets onverstaanbaars.
Weer voel ik een haast onbedwingbare drang om hem gerust te stellen, om te liegen dat we nog maanden hebben of jaren. Wat absurd is, want wij mensen onderscheiden ons juist van halfapen doordat we nooit liegen.
Toch vraag ik me ineens af of liegen wel barbaarser is dan altijd de waarheid spreken. Wat als ze zoveel vragen stellen, omdat ze nooit zeker weten of het antwoord een leugen is? En wat als wij die vragen juist niet stellen, omdat we de waarheid niet altijd willen weten? In dat geval lijken we misschien meer op elkaar dan gedacht, zijn we misschien een zijstapje in de evolutie van elkaar verwijderd. Dat zou een interessante theorie zijn voor verder wetenschappelijk onderzoek, maar daarvoor is het al te laat.
Edward slaat een arm om me heen. ‘Sorry dat ik je verdrietig maak.’
‘Geeft niet.’
‘Wat wil je vanavond doen? Ik heb een appartement bij het tankstation met een fantastisch uitzicht.’
Natuurlijk wil ik nog een keer van onze liefde proeven voor … ‘Ik wil je de waarheid vertellen,’ stamel ik.
Hij lacht. ‘Dat doe je toch altijd?’
Ik sluit mijn ogen. ‘Nee. En dat spijt me.’ Dan ratelen de woorden uit mijn mond, terwijl zijn frons steeds prominenter wordt. ‘Aarde was niet interessant genoeg voor verder onderzoek. Ondanks de overweldigende natuur, kon ik geen investeerders vinden voor hotels en vakantieparadijzen, want het ligt nu eenmaal in een uithoek. Bovendien is Aarde aan het aftakelen, wat iedere investering op de lange termijn zeer risicovol maakt. Ik heb alles geprobeerd om terug te keren, maar niets lukte.’
Met zijn vinger veegt hij een traan van mijn wang. ‘Maar het is je gelukt.’
Ik knik. ‘Ja, ik had het immers beloofd.’
‘Dus Aarde is toch interessant genoeg?’ Hij kijkt me aan alsof hij het antwoord uit me wil zuigen.
‘Misschien. Aarde heeft veel grondstoffen en kan in de toekomst nog waardevol zijn. Maar alleen als de planeet niet verder aftakelt.’
Een voorzichtige glimlach speelt rond zijn mond. ‘Dus jullie komen de Aarde redden?’
Ik neem mijn laatste slok koffie en zucht diep. Ineens voelt alles als een heel slecht idee. ‘Inderdaad. De enige manier om terug te keren was met een militaire missie om Aarde veilig te stellen voor de toekomst.’
Hij fronst. ‘En wat gaan jullie doen?’
Ik slik. Misschien is het toch gewoon domheid waardoor hij vragen stelt waarop hij het antwoord niet wil weten. Ik durf hem niet aan te kijken en staar naar de sterren boven ons. ‘Door de schadelijkste diersoort uit te roeien.’
Zijn frons schiet omhoog, waardoor zijn ogen bijna uit hun kassen rollen. Zijn mond opent en sluit zonder geluid. ‘Welke diersoort?’
Ik zwijg en zie het besef in zijn ogen groeien.
‘Wanneer?’ gilt hij. ‘Wanneer?’
Je zou toch denken dat hij het antwoord op die vraag ook al zou moeten weten.
