Ik kom terug – 1764 woorden

Danitsja’s korte SF-verhaal ‘Ik kom terug’ werd in 2025 gepubliceerd in de verhalenbundel ‘De belofte’.
Ook verscheen het in het online SF-magazine Out Of This World.
Hoe ver ga jij om je aan een belofte te houden?

Ik kom terug

2525 na Xeos / 2025 na Christus
‘Ik beloof dat ik zo snel mogelijk terugkom,’ fluisterde ik op die prachtige Aardse lentedag onder een bloeiende perenboom in Edwards oor.
‘Ik zal op je wachten,’ fluisterde hij terug.
‘Wacht niet op mij,’ zei ik met pijn in mijn hart. ‘Jouw leven is veel te kort. Tegen de tijd dat ik terugkeer, ben jij al een oude man.’
‘Doet er niet toe,’ zei hij. ‘Ik zal nog steeds van je houden.’ Hij trok een pruillipje. ‘Tenzij je niet meer van me houdt als ik oud ben en rimpels heb.’
‘Natuurlijk wel, gekkie. Maar ik wil dat je niet op mij wacht. Trouw iemand, zorg voor kinderen en maak een wereldreis. Aarde is zo mooi. Verspil je leven niet aan mij, voor wie jij slechts een eendagsvlieg bent.’
‘Een trouwe eendagsvlieg,’ grinnikte hij.
Edward was grappig, lief en schattig. En knap voor een halfaap. Zijn soort had niet de enorme oren en vooruitstekende frons, en zeker niet het overtollige lichaamshaar. De vacht op zijn hoofd was zacht als die van mij en zijn ogen betoverend blauw, een kleur die bij mijn soort niet voorkomt.
Misschien dat ik daarom zwichtte en hem beloofde snel terug te keren. Geen lichtzinnige belofte, gezien Aarde 500.000.000.000 cosmocrypten bij ons vandaan ligt en wij haar eerste onderzoekers waren. Het is een aardige planeet met veel grondstoffen en boeiende, zo niet betoverende levensvormen, maar het ligt in een uithoek, wat het niet erg geschikt maakt voor exploitatie.
Ik deed het voor hem, om zijn leven en onze liefde zin te geven, zoals hij dat zo mooi zei. Omdat hij dat graag wilde en hij een behoorlijk koppige, eigenwijze en charmante halfaap was.

2531 na Xeos / 2085 na Christus
We naderen de Aarde. Vanuit de ruimte herinnert de blauwe planeet me aan de kleur van Edwards ogen, aan de smaak van zijn lippen. Niet voor het eerst twijfel ik of terugkeren wel zo’n goed idee is. Ergens hoop ik dat Edward gelukkig is geworden met een soortgenoot en mij is vergeten. Het geheugen van halfapen is immers vrij kort, hoewel ik geloof dat hij het echt meende toen hij beloofde elke volle maan onder de perenboom op me te wachten. Wat zal hij blij zijn om me eindelijk weer te zien!
Terwijl ons ruimteschip achter de maan parkeert, vervolg ik mijn reis met een helidrone. Onder me is Nederland een diamant met miljoenen lichtjes die me moeiteloos de weg wijzen naar zijn dorp, een tankstation naast de snelweg met een paar eenzame huisjes omringd door akkers en weilanden.
Nu wordt het dorp omsingeld door duizenden lichtjes van hoge flats. Even ben ik bang dat ik te laat ben, dat meer tijd is verstreken dan ik dacht, maar dan herken ik de Molenvaart, een glinsterend lint in het maanlicht dat tussen de flats doorloopt naar de weilanden erachter. Langs de vaart staan nog altijd de schattige witte huisjes waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan.
Ik land in het weiland achter het Klompenmuseum – dat nu een aanbouw heeft en een terras boven het water – en volg het maanverlichte betonnen pad de weilanden in.
Al van verre herken ik de eenzame perenboom. Zijn kale takken reiken als een bizar gevormd skelet naar de sterren, ontdaan van alle groene Aardse magie. Een donker silhouet leunt tegen de oude boomstam. Edward? Ik begin te rennen.
‘Daar ben je dan eindelijk,’ roept hij. ‘Ik heb op je gewacht.’ Hij rent op me af en zwiert me in zijn armen rond. ‘Je bent geen spat veranderd,’ fluistert hij in mijn oor.
Hij wel. Zijn mooie zwarte haren zijn grijs en zijn huid is gegroefd als slecht verzorgd leer. Zijn neus en oren lijken groter, zijn buik is dat zeker. Maar de blauwe ogen zijn dezelfde.
‘Ik heb hier elke volle maan op je gewacht,’ zegt hij. ‘Ik hoopte dat je me niet was vergeten, maar ik snap het als je je niet aangetrokken voelt tot oude mannen.’
‘Mijn soort geeft meer om innerlijk dan uiterlijk, anders was ik toch nooit voor je gevallen?’ grap ik.
Hij schenkt me een glimlach die hem iets jongensachtigs geeft, iets magisch. ‘Mag ik je zoenen?’
Ik knik. Zodra hij me kust, lijk ik terug in de tijd geslingerd. Als ik mijn ogen sluit, weet ik zeker dat hij vanbinnen hetzelfde wezen is als toen.
‘Hoelang blijf je?’ vraagt hij.
In zijn ogen lees ik verlangen. Hij is als een open boek, wat zo schattig is dat ik bijna vergeet dat Aardse halfapen hun eigen soortgenoten vermoorden, zelfs jonkies. Maar Edward is anders, dat weet ik zeker.
‘Ik blijf heel lang,’ antwoord ik naar waarheid.
Hij wurgt me bijna in zijn omhelzing. ‘Echt? Wat fijn!’
Weer zoent hij me, wat maakt dat ik me speciaal voel, betoverd, ook al is het primitief hormoongestuurd gedrag.
‘Koffie?’ Hij wijst naar een bankje onder de perenboom dat er vroeger niet stond. Ernaast staat een rugtas waar hij een metalen thermoskan uit haalt.
Ik ga zitten en pak aarzelend een vieze mok aan met de tekst: ‘Beste opa ooit.’ Mijn hoofd vult zich met vragen waarop ik de antwoorden waarschijnlijk niet wil weten. Ik stel ze niet en geniet van de koffie, die nergens zo lekker is als op Aarde.
‘Dus je gaat verder met je onderzoek naar Aardse levensvormen?’ vraagt hij.
Het verbaast me dat hij dat al die jaren heeft onthouden. ‘Nee, dat is afgerond.’
‘Waarvoor zijn jullie dan teruggekomen?’
Ik had natuurlijk kunnen weten dat zijn nieuwsgierige aard meer uitleg verwachtte. Ik haal mijn schouders op. ‘Geheime missie.’ Dat is de waarheid, toch voelt het verzwijgen ervan als een leugen.
Hij lacht. ‘Betekent dat dat jullie zijn teruggekomen om de mensheid te redden?’
Ik herinner me onze gesprekken over zijn aftakelende thuisplaneet. Misschien heb ik eens zoiets geopperd toen ons onderzoek nog niet was afgerond. ‘Daar mag ik niets over zeggen.’
‘Maar wel tegen mij.’ Hij houdt zijn hoofd een beetje scheef en trekt een pruillipje. ‘Ik heb niet stilgezeten. Ik heb contacten met milieuorganisaties over de hele wereld. Met jullie hulp …’ Hij staart naar de sterren en lacht. Onverwacht zoent hij me weer op mijn mond. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent.’
Ik knik. Daar ging het toch om? Hem blij maken, zijn leven en onze liefde zin geven?
Hij kijkt me aan. ‘Is er iets?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Ik zie heus wel dat je ergens mee zit. Je kunt mij alles vertellen.’
Dat laatste is een leugen, want ik kan het hem niet vertellen.
‘Heeft het te maken met je terugkeer naar Aarde? Hoe heb je dat eigenlijk voor elkaar gekregen? Je zei dat het heel moeilijk kon worden?’
Het zijn te veel vragen. Ik voel een allesoverheersende drang om te liegen, omdat dat duizendmaal gemakkelijker en minder wreed lijkt dan de waarheid vertellen.
Zacht knijpt hij in mijn hand. ‘Sorry als ik te nieuwsgierig ben. We hebben het er later wel over, we hebben alle tijd.’
Ook dat is een leugen. Ik haal diep adem. ‘We hebben maar één nacht.’ Het voelt goed om eerlijk te zijn.
Een frons bobbelt zijn voorhoofd. ‘Een nacht? Maar ik dacht dat je beloofde langer …?’ Hij kijkt zo chagrijnig als die keer dat ik zijn telefoon liet ontploffen.
‘Dat heb ik nooit beloofd,’ verbeter ik hem. ‘Alleen dat ik alles zou doen om zo snel mogelijk naar je terug te keren. Dat heb ik gedaan.’
De frons verdwijnt niet van zijn voorhoofd. ‘Ik weet dat jouw soort beloftes heel serieus neemt. Dat is de enige reden waarom ik zestig jaar in weer en wind op je heb gewacht. Als ik had geweten dat het voor slechts één nacht was …’ Hij schudt zijn hoofd en bromt iets onverstaanbaars.
Weer voel ik een haast onbedwingbare drang om hem gerust te stellen, om te liegen dat we nog maanden hebben of jaren. Wat absurd is, want wij mensen onderscheiden ons juist van halfapen doordat we nooit liegen.
Toch vraag ik me ineens af of liegen wel barbaarser is dan altijd de waarheid spreken. Wat als ze zoveel vragen stellen, omdat ze nooit zeker weten of het antwoord een leugen is? En wat als wij die vragen juist niet stellen, omdat we de waarheid niet altijd willen weten? In dat geval lijken we misschien meer op elkaar dan gedacht, zijn we misschien een zijstapje in de evolutie van elkaar verwijderd. Dat zou een interessante theorie zijn voor verder wetenschappelijk onderzoek, maar daarvoor is het al te laat.
Edward slaat een arm om me heen. ‘Sorry dat ik je verdrietig maak.’
‘Geeft niet.’
‘Wat wil je vanavond doen? Ik heb een appartement bij het tankstation met een fantastisch uitzicht.’
Natuurlijk wil ik nog een keer van onze liefde proeven voor … ‘Ik wil je de waarheid vertellen,’ stamel ik.
Hij lacht. ‘Dat doe je toch altijd?’
Ik sluit mijn ogen. ‘Nee. En dat spijt me.’ Dan ratelen de woorden uit mijn mond, terwijl zijn frons steeds prominenter wordt. ‘Aarde was niet interessant genoeg voor verder onderzoek. Ondanks de overweldigende natuur, kon ik geen investeerders vinden voor hotels en vakantieparadijzen, want het ligt nu eenmaal in een uithoek. Bovendien is Aarde aan het aftakelen, wat iedere investering op de lange termijn zeer risicovol maakt. Ik heb alles geprobeerd om terug te keren, maar niets lukte.’
Met zijn vinger veegt hij een traan van mijn wang. ‘Maar het is je gelukt.’
Ik knik. ‘Ja, ik had het immers beloofd.’
‘Dus Aarde is toch interessant genoeg?’ Hij kijkt me aan alsof hij het antwoord uit me wil zuigen.
‘Misschien. Aarde heeft veel grondstoffen en kan in de toekomst nog waardevol zijn. Maar alleen als de planeet niet verder aftakelt.’
Een voorzichtige glimlach speelt rond zijn mond. ‘Dus jullie komen de Aarde redden?’
Ik neem mijn laatste slok koffie en zucht diep. Ineens voelt alles als een heel slecht idee. ‘Inderdaad. De enige manier om terug te keren was met een militaire missie om Aarde veilig te stellen voor de toekomst.’
Hij fronst. ‘En wat gaan jullie doen?’
Ik slik. Misschien is het toch gewoon domheid waardoor hij vragen stelt waarop hij het antwoord niet wil weten. Ik durf hem niet aan te kijken en staar naar de sterren boven ons. ‘Door de schadelijkste diersoort uit te roeien.’
Zijn frons schiet omhoog, waardoor zijn ogen bijna uit hun kassen rollen. Zijn mond opent en sluit zonder geluid. ‘Welke diersoort?’
Ik zwijg en zie het besef in zijn ogen groeien.
‘Wanneer?’ gilt hij. ‘Wanneer?’
Je zou toch denken dat hij het antwoord op die vraag ook al zou moeten weten.

© 2025 Danitsja roedema – Kors

‘Ik kom terug’ nu ook online te lezen

Mijn SF-verhaal ‘Ik kom terug’ verscheen in de verhalenbundel ‘De belofte’ en is nu ook online te lezen op Out Of This World.

2525 na Xeos / 2025 na Christus

‘Ik beloof dat ik zo snel mogelijk terugkom,’ fluisterde ik op die prachtige Aardse lentedag onder een bloeiende perenboom in Edwards oor.
‘Ik zal op je wachten,’ fluisterde hij terug.
‘Wacht niet op mij,’ zei ik met pijn in mijn hart. ‘Jouw leven is veel te kort. Tegen de tijd dat ik terugkeer, ben jij al een oude man.’
lees verder

verhalenbundel De belofte / SF horror fantasy

publicatie in verhalenbundel De Belofte

Voor de SF/horror/fantasy schrijfwedstrijd van Out of This World schreef ik het korte SF-verhaal ‘Ik kom terug.’
Mijn verhaal haalde de 18e plek en won daarmee plaatsing in een verhalenbundel.
verhalenbundel De belofte / SF horror fantasy
In de bundel staan de beste wedstrijdverhalen aangevuld met andere SF/horror/fantasy-verhalen.
De meeste verhalen zijn maximaal 2.500 woorden, dus ‘lekker kort’. Met 228 pagina’s krijg je dus veel verhalen voor je geld.

De e-bundel en de verhalenbundel zijn te bestellen via internet: bestel via Amazon

Of steun je  lokale boekenboer! Schrijf dan het ISBN-nummer op of, doe stoer, leer dit uit je hoofd: ISBN‏ : ‎ 978-9493096332.

PS na lang dubben over mijn auteursnaam, is die nu officieel Danitsja Roedema-Kors geworden. Daarmee is ook de link naar mijn site veranderd (pas die dus eventueel aan in je bookmarks).

Deadline – 1227 woorden

Met Deadline won ik eind 2022 een schrijfwedstrijd van mijn schrijfgroep met als thema ‘Deadline’.
Begin 2023 werd het gepubliceerd op Fantasize.nl , de website voor fans van fantasy, SF en horror.

Deadline

‘Wakker worden!’
In het duister naast mijn bed stond een oude man in een witte nachtjapon. In zijn hand schommelde een ouderwetse lantaarn. Het kaarsje voorzag zijn rimpels en lange, witte manen van een interessant schaduwspel.
Kreunend wilde ik me omdraaien, maar mijn handen vonden geen kussen, geen dekens, geen bed. Zelfs niet het kleedje dat normaliter voor mijn bed lag. Waar was ik?
‘Niets is wat je denkt, Bram,’ zei de man. ‘Kom’. Met de kracht van een worstelaar greep hij mijn pols en trok me overeind.
Ik kreeg de kans niet om tegen te spartelen, mijn hersenen waren nog bezig met registreren dat hij mijn naam wist.
‘Kun je staan?’
Natuurlijk kon ik staan. Zodra hij me losliet, zakte ik als een zoutzak op de grond.
De ouwe grijnsde zijn rotte tanden bloot. ‘Overmoed komt voor de val, Bram. Dat zou je inmiddels moeten weten.’
In een flits zag ik mezelf de trap in het winkelcentrum oplopen. Daar was ik zojuist nog… Nee, dat kon niet…
‘Je ging naar Piet Elders om je nieuwe bril op te halen,’ zei de ouwe.
Verbaasd keek ik hem aan. Ik herinnerde me dat ik in de lunchpauze mijn bril zou ophalen, zelfs dat ik over die trap liep.
‘Je herinnert je niet dat je de bril hebt gehaald,’ zei de ouwe.
Ik dacht na. Kon me het niet herinneren.
‘Je liep de trap op. Dat weet je toch nog?’
Ik knikte.
‘Ondertussen liep Jozef Hinkstap van de dierenwinkel met een rolcontainer vol hondenvoer op de eerste etage. Zijn rolcontainer kantelde. Denderde over de trap naar beneden. Op de trap liep Sarah de Vries met haar zoontje Storm. Vier jaar.’
In een flits zag ik ze lopen. Sarah moest de blonde dame in de sexy minirok zijn, Storm het dreinende kind dat zeurde over dino’s.
‘Je sprong. Duwde Sarah en Storm uit het pad van de container. Voor jou kwam hulp te laat. Daarom ben je hier.’
Met open mond staarde ik de grijsaard aan. Hield hij me voor de gek?
‘Het was niet eerlijk. Je krijgt een herkansing. De belangrijkste vraag is: zou je je eigen leven weer opofferen om het kind te redden?’
‘Ik…’ Ik herinnerde me niets. Ik liep de trap op. Zag dat sexy minirokje en het on-sexy kind dat mee de trap op werd gesleurd. En nu was ik hier.
De ouwe grinnikte. ‘Weinigen krijgen een herkansing. Red het kind niet en je zult leven.’
Dit moest een nachtmerrie zijn.
‘Het enige wat je moet weten, is dat Storm een moeilijk kind is. Hij wordt beroepscrimineel en doet op zijn veertigste een staatsgreep, en zal dood en ellende zaaien. Ik zou het kind dood laten gaan.’
Hij knipte in zijn vingers.

Het was druk in het winkelcentrum. Voor me op de trap liepen enkele bejaarden, zodat ik tijd had om naar de mooie benen van een tegemoetkomende jongedame te kijken. Jammer dat ze een kind had.
Ineens klonk een afschuwelijk geraas. Er was geen tijd om na te denken. Een rolcontainer met minstens honderd kilo hondenvoer kantelde boven aan de trap, denderde op de vrouw en haar kind af.
Een man achter me dook op de vrouw en het kind af. Hij had eenzelfde kale plek op zijn achterhoofd als ik. Ik weet niet waarom ik dat dacht en of dat de reden was dat ik een allesverzengende drang voelde om hem niet in gehakt te zien veranderen. Ik handelde in een impuls. Gooide mijn gewicht tegen de container om hem uit zijn baan te brengen. En in een vlaag van verstandsverbijstering greep ik het kind en trok het met mij onder de container.

‘Wakker worden!’
In het duister naast mijn bed stond een oude man in een witte nachtjapon. In zijn hand schommelde een ouderwetse lantaarn. Het kaarsje voorzag zijn rimpels en lange, witte manen van een interessant schaduwspel.
Kreunend wilde ik me omdraaien, maar mijn handen vonden geen kussen, geen dekens, geen bed. Zelfs niet het kleedje dat normaliter voor mijn bed lag. Waar was ik?
‘Niets is wat je denkt, Bram,’ zei de man. ‘Je hebt het enige juiste gedaan. Ik ben onder de indruk. Als je hier een kruisje wilt zetten, dan kun je terug.’
Zoals in iedere slechte droom, waren de letters op het papier krioelende wormen. De punt van de ganzenveer brak toen ik een kruisje zette.

Ik werd wakker met koppijn. Dat kwam natuurlijk door die deadline voor die stomme Sssoepsap Sssoepzak-commercial. Ik moest niet vergeten in de pauze mijn nieuwe bril op te halen. Wat een rotdag!
In het winkelcentrum was het druk. Achter een paar bejaarden liep ik de trap op.
‘Hé, Bram,’ riep een blonde dame in een minirokje.
Voor ik wist wat me overkwam, omhelsde ze me. Alleen door de bejaarde voor me beet te grijpen, lukte het me om te blijven staan. Net op dat moment zag ik boven aan de trap een hoge toren zakken hondenvoer heen en weer schommelen.
‘Houd die container tegen!’ riep ik.
Als een wonder schoten mensen op de wiebelende toren af. Alles leek zich in slow-motion af te spelen. De brokkentoren wankelde. Handen reikten naar de zakken, vonden houvast. Iemand lachte.
Een afschuwelijk moment dacht ik de dood in de ogen te hebben gekeken, tot iemand mijn naam zei.
Naast me stond nog steeds de dame in de minirok. Ze kwam me bekend voor, maar ik wist niet waarvan.
‘Ik ben het, Sarah.’ Ze had parelwitte tanden en een schattig sproetje naast haar bovenlip.
Er begon me iets te dagen. Iets met een dreinend kind. Paniekerig keek ik om me heen. De toren hondenvoer was al verdwenen en mensen liepen de trap op en af alsof er niets was gebeurd. Ik zag geen kind. Ik slikte. ‘Waar is… Storm?’
Ze fronste. ‘Ik ken geen Storm. Jij bent toch Bram Vink?’
‘Ik, ehm… Bram Vogelaar. Sorry.’
Ze glimlachte. ‘Sorry, ik dacht even dat…’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Helaas.’
Ze glimlachte nog steeds. ‘Zeg, volgens mij heb je zojuist een vreselijk ongeluk voorkomen. Ik… ehm…’
De blosjes op haar wangen kriebelden in mijn buik.
‘Sorry,’ zei ze. ‘Normaal ben ik niet zo brutaal, maar een held als jij zou ik graag beter leren kennen. Koffietje doen?’
Koffietje doen klonk vreselijk burgerlijk, knus en verleidelijk. ‘Ik, ehm… Ik heb een deadline. Straks. Vandaag.’
Haar mondhoeken gingen naar beneden.
Was dit het moment dat ik haar nummer moest vragen voor ze uit mijn leven zou lopen? Maar dat kon toch niet, zomaar een wildvreemde dame…
‘Misschien kom ik je nog wel eens tegen,’ zei ze. En ze liep verder.
Plots kreeg ik het gevoel dat dit moment, dit nu, hier op deze trap de plek was waar mijn leven gedoemd was om voorgoed te veranderen. Een ijzig moment stond ik als bevroren op de treden, onmachtig om te bewegen.
Als ik nu niets deed, was ik haar kwijt, dat wist ik zeker. Net als dat ik ontslagen zou worden als ik de deadline voor de Sssoepsap-Sssoepzak-commercial niet haalde. Elke seconde dat mijn hersenen alle voors en tegens afwogen, was Sarah een stap dichter bij de uitgang, waarna ze, misschien voor altijd, in de menigte zou oplossen.
Ik weet niet wat me bezielde. Misschien wilde ik geen Sssoepsap-Sssoepzak-Sssukkel zijn, en besefte ik daardoor dat Sarah een veel belangrijkere deadline was. ‘Sarah!’ riep ik, voor ik achter haar aan snelde.

© 2022-2023, Danitsja roedema – Kors

mijn verhaal Deadline op Fantasize.nl

18 januari 2023

Eind 2022 won ik met mijn korte verhaal Deadline (1227 woorden) een schrijfwedstrijdje van mijn schrijfgroep.
Het thema voor de wedstrijd was, uiteraard, deadline (ik ben niet zo goed in originele titels verzinnen 😉 ).
Ik kreeg feedback op dit wedstrijdverhaal en een hint dat het misschien een verhaal was voor Fantasize , de website voor fans van fantasy, SF en horror.
Voor plaatsing gaven zij ook feedback op het verhaal, waardoor Bob Marley ineens ook nog een klein rolletje in het verhaal kreeg.

Marcel van der Sleen maakte een schitterende illustratie bij het verhaal.

klik hier om het verhaal Deadline te lezen

Dubbel bedrog – 1033 woorden

Dubbel bedrog verscheen eind 2013 in de verhalenbundel ‘Van A tot ZZ – 20 verhalen voor 2014’ van het Zinniger Zinnen-forum

Dubbel bedrog

02.00 uur
Gehurkt wacht ik in de bosjes naast de caravan. Na het sluiten van de kantine heeft een doodse stilte bezit van het campingterrein genomen. Uren zit ik hier al. Geduldig wacht ik. Mijn handen omklemmen de schop die ik naast de caravan vond. Het voelt goed om een wapen te hebben.
Gerard. De gedachte aan hem doet de woede weer oplaaien. Op de wreedst mogelijke manier bedroog hij me, en nu had hij het lef om 200 kilometer van mijn huis op te duiken. Op een camping nota bene, ultiem burgerlijk en avontuurloos voor een man die beweerde te leven voor ontberingen.

02.14 uur
Tijd om na te denken, weer de pijn te voelen van het gat dat Gerard achterliet. Zijn reisgenoten hadden gezien hoe zijn kano in een stroomversnelling omsloeg; alleen de brokstukken werden teruggevonden. ~ Lees verder ~

De voorstelling – 488 woorden

Met dit verhaal won ik de Zinniger Zinnen schrijfwedstrijd van 2018
Het thema van de wedstrijd was ’tegenstelling’

De voorstelling

Zodra Dracul het podium opstapt, lijkt een duisternis zich door de zaal te verspreiden. Het kost me moeite om in Dracul mijn vroegere buurjongen te herkennen. Jim lijkt amper ouder te zijn geworden en is nog even sprieterig als vroeger, maar zijn houding is anders. Zelfverzekerder. Niet die muisachtige, schrikachtige jongen van vroeger. Jim ìs Dracul en ik ben onder de indruk.
Hoewel ik achter in de zaal zit, heb ik zelfs een paar keer het idee dat Dracul me recht aankijkt, maar met die felle podiumlichten kan hij me onmogelijk zien.
Op de kleuterschool speelden Jim en ik vaak samen. Op de lagere kreeg ik andere vrienden en werd hij zo’n beetje het pispaaltje van de klas. Het laatste wat ik van hem hoorde, was dat hij vroeg trouwde en een baan moest zoeken, terwijl ik de stad uit ging om te studeren. Ik vond hem altijd een mislukkeling.
Behalve nu. Het toneelstuk en de spelers zijn zeldzaam goed. ~ Lees verder ~

Adem in, adem uit – 1504 woorden

Dit verhaal werd vijfde in de Zinniger Zinnen Schrijfwedstrijd van 2014.
Het thema van de wedstrijd was: ‘De kunst van het balanceren’.
Het verscheen ook in de verhalenbundel ‘Verhalen met Zinnige Zinnen’.

Adem in, adem uit

‘Balans, Ans! Denk aan je balans!’ In gedachten hoor ik het mijn balletlerares weer roepen, zie ik mijn mede-ballerina’s weer die moeilijke sprongen maken waarvan ik weet dat mijn lichaam er niet voor is gemaakt. Toen al niet.

>>Ik trek mijn handschoenen aan en zet mijn helm op.<<

Ballet werd voetbal. Daar werd minder gelachen als je algehele beencontrole verloor. Hoe groter de blauwe plek, hoe meer respect. Tenminste, in het begin. Na drie keer ‘hands’ in een belangrijke competitie, lag ik eruit.

Ik belandde uiteindelijk bij de leesclub. Het ergste wat daar kon gebeuren, was dat ik iedereen uit zijn concentratie haalde als een boek uit mijn handen stuiterde.

>>Het is prachtig weer en ik lach en steek mijn duim op naar de jongens die ik heb ingehuurd voor mijn missie.<< ~ Lees verder ~

Vampirella – 248 woorden

Dit verhaal werd in 2008 gepubliceerd in Opzij naar aanleiding van een schrijfwedstrijd met als opdracht:
Word je al jaren gekweld door een geheim verlangen? Zou je dat eigenlijk heel graag eens willen delen met de buitenwereld? Hier is je kans. Schrijf in maximaal 250 woorden een geestige of ontroerende bijdrage over jouw heimelijke – grote of kleine – wens.

Vampirella

Het is niet zo dat ik al jaren word gekweld door een geheim verlangen. Mijn wensdroom is zo irreëel dat het verontrustend zou zijn als hij uitkwam. Vergeleken met die van mij, lijken de heimelijke fantasieën van mijn vriendinnen bereikbare idealen, hoewel de wetten der kansberekening niet in hun voordeel spreken.
Rianne droomt ervan om zakenvrouw van het jaar te worden, Maria wenst een knappe miljonair te trouwen, Jenny smacht naar een ontmoeting met Johnny Depp en Cassandra zoekt het nog hogerop, zij zou willen stralen in grote Hollywoodproducties.

Mijn verlangen kennen ze niet. Ze zouden ongetwijfeld lachen om mijn kinderlijke naïviteit, want al sinds mijn prille jeugd koester ik dezelfde wens. Wellicht lacht u er niet om. U kent me immers niet. ~ Lees verder ~